Geplaatst door: Maarten Rischen | Rubriek: Fun | Datum: 23-04-2010
4
‘Ik mag niet klagen.’ Een dergelijk calvinistisch-Groningse bagatellisering mag ik mij wel veroorloven: overdag draai ik met de meest getalenteerde jonge muziekjournalisten mooie bladen in elkaar en zodra de zon ondergaat zit ik doorgaans in de studio of op een podium. Plaatjes en blaadjes maken, en daar van kunnen leven; het kan minder.
Toch zijn er een paar dingen die dapper tegenwicht bieden aan dit op papier vrij ideale beeld. Mijn blauwe Ford Escort ‘pausmobiel’, bijvoorbeeld. Een geweldige auto, daar niet van: vervoerde vroeger rolstoelen, maar tegenwoordig bassdrums, basversterkers, bandleden, inboedel, matrassen (tijdens festivals) en soms een verstekeling van dubieuze afkomst. Brengt je trouw van Leeuwarden naar Zierikzee en weer terug. Twee optredens op een avond? Geen probleem; in 35 minuten crosst ie van Hedon naar Luxor. Niet slecht voor een roestbak uit 1984 – daarmee ouder dan de inpandige verslaggever/ muzikant. Het nadeel: Fordje is een beetje dorstig. Honderdvijftig kilometer rijden is het maximum, dan moet er toch écht weer voor vijftig euro in de tank gegooid worden voordat we verder mogen. Om de week is het helemaal feest; dan heeft het blauwe monster een onstilbare drang naar motorolie. Krijgt ie het niet, dan produceert hij nukkig het geluid van een vastgelopen grasmaaier en gedraagt hij zich daar ook naar.
De ANWB heeft inmiddels elk onderdeel onder de motorklep een koosnaampje gegeven en draaft bijna maandelijks braaf op om een klep te smeren, een motor vast te zetten of ingewikkelde noodoplossingen te bedenken: ‘Als je wilt starten, moet je even dit draadje tegen de accu houden, naar binnen rennen en het gas kort indrukken. Kunnen we de onderdelen even afrekenen?’ De gages van de optredens en met bloed, zweet en tranen geproduceerde artikelen – geen hartchirurgsalaris, maar allerminst beneden peil – verdwijnen zo zonder genade één voor één in de krochten van mijn rijdende vriendje.
Enige dankbaarheid is ‘m ook vreemd; eenmaal op pad laat ie als een incontinente bejaarde alles weer los wat volgens de norm aan een auto hoort te blijven zitten. Het Nederlandse wegennet ligt zodoende dermate bezaaid met schroeven, flarden van banden (vier klapbanden in 2009, welteverstaan), lampen en bumpers dat je er na een korte zoektocht zo weer een volledige Ford Escort uit 1984 van kan maken.
Niet aan te raden trouwens; als íets de aandacht van de politie trekt, is het wel het rokende vehikel dat zichzelf mijn auto durft te noemen. Laatst nog; op de terugweg van een optreden met de u welbekende collega-journalist en -muzikant André Dodde blijven er tientallen kilometers twee koplampen in de met ducttape vastgeplakte achteruitkijkspiegel priemen. Niet veel later verschijnt er vanuit een zijweg een dergelijke auto, met de onvermijdelijke oranje strepen: daar gaan we weer. Na voor de zekerheid nog maar een wagen aan de linkerflank te hebben gepositioneerd durft de ongevraagde politie-escorte eindelijk het stopteken te geven. Met een prachtig authentiek klinkend ‘zo, meneertje’ (vanonder een snor nota bene!) worden de inzittenden gesommeerd in de wagen te blijven en zich te identificeren terwijl de rest van het korps, als mijnwerkers op zoek naar een gaslek, Fordje inspecteren.
In het licht van de zaklantaarns werd helaas niks anders gevangen dan gitaarkoffers, etensresten, reserveonderdelen en een heuse zelfregulerende biocultuur van ondefinieerbare organismen. Geen drugs, geen lijken, geen wapens; een puntje voor het langharig werkschuw tuig. Maar toch: ‘Uw ene achterlicht doet het niet. En de andere doet het ook niet zodra het ene remlicht aangaat. Uw nummerbord is niet leesbaar omdat er van alles uit de achterklep voor hangt. Het grootlicht lijkt een eigen leven te leiden. De uitlaat zit vast met een stroomsnoertje van een bureaulamp. Bovendien rijdt u geheel willekeurig tussen de 90 en 130 kilometer per uur, en zien we steeds een lichtje branden. Moet u zo vaak uw sigaret aansteken?’ Dat de laatste twee aantijgingen te maken hebben met het totaal disfunctioneren van de dashboardverlichting houden de muzikanten wijs voor zich, en ondergetekende zet zich schrap voor het onvermijdelijke ‘Dat wordt een fikse prent, meneertje’. Gelukkig blijken agenten meer dan eens te beschikken over een niet te verdringen vadergevoel, en staan ze binnen de kortste keren welgemeende adviezen te geven over zekeringen, goede autosloperijen en dat hun collega’s verder op de route ‘het echt niet door de vingers zullen zien’. Ach, we kunnen weer even door. Ik en mijn Fordje volgen de muze en rijden de nacht in. Tot er een onheilspellend gekraak vanonder het stuurwiel vandaan komt…





Ik vind dat als hij niet meer door de APK komt, dat er een avondwake gehouden moet worden naast de Magic Barn. Waar we vervolgens een rally houden in het weiland van de familie Kemkens. Als ie dan eindelijk bezwijkt volgt een rituele verbranding met dansende indianen. Of aanmelden voor de zwarte cross karavaan…
Smakelijk. Als ik het stuk lees, ruik ik het interieur en hoor ik je weemoedige gekreun terwijl je in de achterbak over de backline heen klimt om de achterdeuren open te kunnen gooien.. Oh blauw beestje, (sch)rijdt voort!
Die auto hoort in het rijtje thuis van vaderlandse rock&roll-memorabilia..
- de vaginaal ingebrachte dwarsfluit van Barry Hay
- de leren (Spritz)broek van Herman Brood
- de waterpijp van Armand
- de blauwe pausmobiel van Maarten Rischen
en de slooppremie-regeling is ook alweer voorbij