TWAALF VALSE TONEN

Geplaatst door: Maarten Rischen | Rubriek: Achtergrond | Datum: 24-06-2010

3

Op dit moment zit bovengetekende verslaggever in zijn maandelijkse studieretraite. Dat betekent talloze zwoele zomernachten -  waarin een normaal mens rond een kampvuur zit te Kumbaya’en of kampeert op een festivalterrein – in solitaire afsluiting achter een beeldscherm. Honderdvijftig pagina’s voltypen om dan hopelijk vanaf september door het leven te gaan als Master of Arts. Wat heb je daaraan? Helemaal niets. Maar stiekem is het onderwerp van zijn masterscriptie Muziekgeschiedenis best wel boeiend voor de Musicmaker Blog-lezer. Een heel klein notendopje.

Om even flink kort door de bocht te gaan: alle Westerse muziek is vals. Deze woorden tekende ik op uit de mond van gitaarbouwer Yuri Landman tijdens een interview twee jaar geleden. De toccata’s van de geniale Bach? Vals. De vioolconcerten van het wonderkind Mozart? Vals. Chop Suey van System Of A Down? Juist. Als archetypische Alpha duurde het even voordat ik de boude beweringen van Landman – afgestudeerd natuurkundige – kon plaatsen. Het bleek allemaal te maken te hebben met de eigenschappen van dat merkwaardige fenomeen waar alles wat wij muzikanten doen mee begint: geluid. Elke toon die we voortbrengen op een instrument (blokgolfsynthesizers daargelaten) bestaat uit een grondtoon en een oneindige hoeveelheid boventonen. Je kent ze wel van de flageoletten op de gitaar. Deze boventonen volgen een vaste reeks; allereerst een octaaf van de klinkende grondtoon, daarna een reine kwint, dan weer een octaaf, dan een terts, weer een kwint en vervolgens een septiem. En daaropvolgend nog een aantal, maar steeds relatief zachter in volume en dus minder van belang. Deze boventonen – de samenstelling en de onderlinge volumes – zorgen ervoor dat een toon zijn eigen karakteristiek heeft en we dus een G op een piano kunnen onderscheiden van dezelfde G op een saxofoon. De verhoudingen van dit ‘natuurtoonsysteem’ zijn te berekenen met eenvoudige breuken. Als de hele trillende snaar 1/1 is, dan hoor je daarboven de boventonen 2/3, 3/4, 4/5, et cetera.

Volgt u het nog? Laten we het hopen, want nu wordt het interessant. Dat het octaaf een nauw huwelijk heeft met de grondtoon staat buiten kijf, en is door de eenvoudige verhouding van 2/1 ook gemakkelijk te verklaren: een A van 440 Hz (vibraties per seconden) heeft een octaaf van 880 Hz. Als je dit voor je ziet als geluidsgolven, is het makkelijk voor te stellen dat ze naadloos met elkaar ‘samenwerken’ en allerminst de vervelende ‘beats’ – de bijgeluiden van twee valse klanken – produceren. Toch willen we graag meer klanken dan alleen het octaaf, en dus moest er een onderverdeling komen. De u welbekende Griek Pythagoras ontdekte met zijn instrument de ‘monochord’ de op één na belangrijkste en meest consonant klinkende interval, de kwint. Zijn ontdekking – pas veel later in formulevorm berekend – was schokkend en het begin van eeuwen geneuzel met toonsverdelingen. Een opstapeling van twaalf kwinten kwam niet zoals verwacht uit op zeven zuivere octaven. Nét niet, welteverstaan. En hij wilde nog wel zo graag een twaalftoonsverdeling (in feite ook behoorlijk arbitrair) waarmee je het liefst ook nog een kon transponeren tussen verschillende toonsoorten. De ‘oplossing’ werd gevonden in een hele reeks compromissen. Onder aanvoering van de ‘groten der aarde’ als Ptolemus, Mersenne en Salinas zijn we via middentoonstemmingen, welgetempereerde stemmingen en wat dies meer zij uitgekomen bij het twaaltoons evenredig zwevend temperament.

En die klopt dus niet. Het toonsysteem dat wij kennen uit de boekjes en van onze gitaarhals of het pianoklavier is een verminkte versie van echt zuivere intervallen; van elke toonafstand is een klein beetje afgeschaafd zodat alles ‘wel ongeveer goed’ klinkt. Niks is minder waar. Op de achtergrond roepen namelijk ook nog al die boventonen om aandacht. En die zijn in relatie tot elkaar simpelweg kneitervals. Als je het distortionpedaaltje van je gitaarsetup intrapt doe je eigenlijk niks anders dan de boventonen beter hoorbaar maken. Een powerchord is dan geen punt; alleen een octaaf en een kwint klinkt prima. Maar wat als je een mooi vol open G-akkoord pakt met deze distortion aan? Juist, dat produceert een onmogelijke brei van geluid vol met valse ‘beats’. En dat geldt dus voor nagenoeg alle Westerse muziek die ons tot de oren komt; op de achtergrond zit een onmetelijk koor van valse tonen mee te schreeuwen. Maar gewenning maakt ons blijkbaar erg tolerant.

Terug naar Yuri Landman. Zijn vraag ‘als er een meteoriet op aarde klapt horen we geluid in het natuurtoonsysteem, waarom maken we dan nota bene muziek in een verminkte, valse variant?’ spreekt boekdelen. Het antwoord zou zijn: we weten niet beter. Gelukkig zijn er in de geschiedenis van de muziek nog  meer dappere pioniers geweest als Harry Partch en Hermann Helmholtz die stug tegen de stroom in een pleidooi blijven geven voor de natuurzuivere, reine stemming. Zelfs Beck heeft zich in de materie verdiept, en in de jaren ’80 was er een hele stroom muzikanten onder de noemer No Wave – al dan niet bewust – mee bezig. Met een beetje geluk komt er in de popmuziek een nieuwe stroming mensen die verder kijken dan die twaalf manke tonen. Want zeg nou zelf: die hebben we inmiddels toch wel genoeg uitgemolken?

Reacties (3)

In additie op wat ik in reactie op het interessante blog van Maarten schreef, geef ik nog even de volgende praktische toelichting over de ‘problematiek’ rond getemperde stemming op de gitaar uitgaande van de stemming EADGBE ter verduidelijking:

(N.B: Uiteraard dient de snaarlengte met hulp van de flagioletstemming in vergelijk tot de toon op de 12e fret perfect afgesteld te zijn betreft onderstaande toelichting.)

Stel je hebt een stuk in F dan kan je de snaren EADGBE uitgaande van het F accoord in de 5e positie (‘C-greep’)tonaal stemmen, maar als je dat vergelijkt met het zelfde F accoord maar dan in de 1e positie met een opgeschoven ‘E-greep’, dan klinken de snaren in arpeggio gespeeld minder mooi … Maar deze eigenschap van licht tonaal verschil kan in een modificatie-modus van een stuk een (halve) toon hoger verder te spelen op een gitaar juist verfrissender werken, omdat er toch een lichte afwijking in de chromatische stemming is ten opzichte van de vorige stemming in combinatie met het spelen in ook nog eens een andere positie.

In mijn ervaring met geimproviseerd spelen ga ik vaak uit van de B snaar, maar het zwevend getemperd stemmen doe ik (bleek in observatie kennelijk) vaak met de D snaar tijdens het geimproviseerd spelen. De snaar die minste bijstelling behoeft is de A. Vaak zijn de G en de D snaar de meeste ‘behoeftige’ om bijgestemd te worden gevolgd door de B snaar. Finetuners zijn hierbij prettig, omdat met name de B snaar wel heel erg weinig bijstelling behoeft…

Zelf speel ik met veel stringbendings op E en B, waarmee ik de snaar ook opduw naar de gewenste toonhoogte, wat die getemperde stemming negeert.

Het concept absoluut (zuiver) gehoor neemt in het verhaal van Maarten dan ook een bijzondere plek in. Opmerkelijk is dat als je je gitaar perfect stemt, maar bijvoorbeeld een kwart toon te laag, of je speelt geimprovisserd in een andere tonaliteit, als het ware als in een andere stem, dan is het zo dat ondanks dat je eigenlijk vals in tonaliteitsvergelijk speelt, dat het dan toch wel goed/acceptabel klinkt omdat alle snaren consequent in vergelijk ‘anders’ gestemd staan!

En hiermee belanden we terug op het blog van Maarten over het feit dat de ‘oren’ van westerse muziek vals zijn.

Onderstaande een commentaar op het interessante stuk van Maarten; sluit jij je nu ook al op Maarten, hahaha?

Gitaristen merken sneller de belemmering van de zwevende chromatisch getemperde stemming dan bijvoorbeeld Pianisten, puur vanwege het feit dat er zes snaren op zitten die elk in een andere toon gestemt staan (doorgaans EADGBE, ook niet zomaar: ‘relatie’ kwart, septiem, terts, kwint en octaaf t.ov. de basSnaar E…), en vervolgens dat elke snaar uitgaande van haar toonhoogte een eigen chromatische onderverdeling heeft die niet geheel exact overeenkomt qua voortgebrachte toon in vergelijk tussen de snaren onderling. Met name de vanuit E terts gerelateerde G snaar is bekend als de ‘brokkenmaker’.

In Music Maker is dit onderwerp over de jaren heen al een aantal keer aan bod geweesd. Met name de G snaar heeft de neiging om in een open C akkoord anders gestemt te passen dan in een E of G akkoord, verder op op de hals krijgen we ook met dit soort tonale stemmingskwesties te maken. Zelf ervaarde ik dit als ik meerdere stukken achtereen in verschillende toonhoogte jamde. Vaak moest met name de G snaar dan een heel klein beetje bijgestemt worden omhoog of omlaag… De B snaar (kwint gerelateerde t.ov. E) heeft naar mijn ervaring hier de minste moeite mee om wel te klinken…

In Music Maker stond een 10 jaar geleden ook iets over de Buzz Feiten kam, een vinding waarbij de top kam de snaar lengte per snaar had bepaald en dat was ook een voorbeeld om iets met die getemperde stemming te doen. Andere pogingen waren bijvoorbeeld het anders fretten van de hals, hiervan zijn ook diverse varianten te benoemen. In Music Maker kwam dat ook eens voorbij.

En toch ondanks het zogenaamde probleem, heeft het ook nog een voordeel: Denk maar eens aan
Kerketoonladders! Juist ja, Phrygisch in E-Am klinkt Spaans op de gitaar standaard gestemd, Dorisch en Eaolisch zijn op de gitaar echte bluesladders etc etc.
Ofwel juist op een instrument als een gitaar waar meerdere snaren met hun eigen chromatische onderverdeling zitten (standaard met fretten volgens de verdeling X=12emachts wortel van 2= 1,059463094) krijgt het instrument juist zijn eigen (valse) klank. Een simpel vergelijk maakt dat de berekening met een dergelijke breuk geen mooie afgeronde gelijke waarden geeft; er is namelijk een relatie tussen snaarlengte en toonhoogte (ongeachte de snaarspanning). Inderdaad is in het rekenen met een dergelijke breuk het reine kwint en haar omkering kwart het meest consonant tussen de snaren onderling… Het verschil in consonantie is ook de reden waarom de chromatisch getemperde stemming per snaar/instrument inderdaad ook nog een eigenheid heeft. En dan spreek ik nog niet van de invloed van de instrumentbespeler zelf in het voortbrengen van klank.

Het toonstelsel is uit pentatoniek ontstaan. Het is met name de westerse muziek die met de chromatische ladder werkt. Indiase muziek kent kwart tonen shrutisch, wat ik dan weer als een verdere verfijning van de tonaliteits interpretatie zou kunnen beschouwen.

MOOI VALS IS NIET LELIJK.
Net als in de kunstgeschiedenis denk ik dat we van ontwikkeling kunnen spreken volgens de reeks archaische cultuur, hoogcultuur en verval, waarna de ontwikkeling opnieuw plaats vind in een nieuwe vorm.
Het is uiteindelijk ook een kwestie van wat je gewend bent, afgezien van het gegeven dat muziek deels ook een weerspiegeling is van het eigen auditief milieu van de speler. Elke keer als er technisch iets nieuws ontstaat, geeft dat ook weer een nieuwe impuls aan de muziek.
Het door elkaar heen spelen van twee muziekstukken zoals DJ dat doen, maakt dat tonaliteiten met elkaar kunnen wrijven, wat tonaal een heel ander klank geeft. Tegenwoordig spelen ook musici alsof er een DJ aan het werk is. Denk maar eens aan Hip Hop Skyteman …

In antwoord op het slotbetoog van Maarten denk ik dat het anders aankijken (-horen) tegen die twaalf ‘manke’ tonen allang aan de gang is onder de noemer mooi vals is niet lelijk. Het chromatisch stelsel is onderdeel van ons muzisch cultturbegrip, ik denk niet dat zij zal verdwijnen, maar langs archaische weg andere tonale interpretaties naast zich zal gaan dulden.

Willem Gebuys, momenteel wonend te Zuid-Beijerland moet ook maar eens weer zijn ambacht oppikken en hele mooie basgitaren gaan maken. Vele nederlandse basgitaristen weten wel waar ik over spreek !

Reageer!